BruTrade.be
Het overnameplatform voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Info arrow Getuigenissen arrow Over je pensioen durven praten en afstand doen
Over je pensioen durven praten en afstand doen Afdrukken E-mail

Dit is het getuigenis van een ondernemer in een familiebedrijf (2e generatie) die vertelt over de opeenvolgende fasen vanaf het moment dat hij zin kreeg om de zaak over te laten, over zijn verlangen om te verkopen aan iemand buiten de familie tot aan de uiteindelijke overname door een van zijn eigen kinderen.

Ik heb mijn bedrijf altijd geleid op een manier waarbij ik nooit de beste of grootste wou zijn. Ik wou gewoon een gezonde onderneming, waar een aangename sfeer van goede contacten en correctheid heerste. Dat neemt niet weg dat ik soms ook fouten heb gemaakt, een paar keer bijzonder grote fouten zelfs. Het personeel is uitgesproken jong, met een gemiddelde leeftijd van 31 jaar. Dat geldt ook voor de kaderleden, gemiddeld 37 jaar, "ondanks" een zestiger in hun midden. Wat mij betreft nadert de pensioengerechtigde leeftijd met rasse schreden en ik moet stilaan vaststellen dat ik ondanks mijn ijzersterke gezondheid en - zo zegt men - een goed aanpassingsvermogen, omringd word door vrouwen en mannen van een andere generatie met een dynamiek die ikzelf al een tijdje kwijt ben, een markt- en wereldbenadering die mij onbekend zijn, een bijna aangeboren kennis van de huidige informatiekanalen en beheersinstrumenten die ikzelf niet echt goed onder de knie heb, kortom, een kijk op de (zaken)wereld die mij vaak met verstomming slaat, maar die verschilt van wat ik zelf aan bagage meedraag. En als ik het beste wil voor de onderneming en de mensen die haar in stand houden, moet ik me daarbij neerleggen en me verder geen illusies maken.

Anderzijds wil dat niet zeggen dat ik zelf geen rol meer kan spelen. Die van "wijze" is misschien wel iets voor mij. Maar mijn vrouw en ik willen ook meer tijd gaan besteden aan andere bezigheden die ons na aan het hart liggen en die we nooit echt de plaats hebben kunnen geven die ze verdienen.

Naar de jaren 90 toe passeert er een reeks kandidaat-overnemers. Fransen, Engelsen, Nederlanders, Duitsers en ook Belgen. Het is de periode van de grote hergroeperingen die overigens nog niet meteen ten einde is en die natuurlijk vragen doet rijzen over het voortbestaan van kleine ondernemingen zoals de mijne.

Als er dan toch niemand van de kinderen bereid is mij op te volgen, moet ik vroeg of laat wel verkopen. Ik besluit dan ook mijn oor wat beter te luisteren te leggen. Wat is mijn bedrijf waard? Hoe moet ik dat inschatten? Bestaat daar een objectieve methode voor?

Op een bepaald moment krijg ik telefoon van een bankier die een afspraak met mij wil maken. Hij vertegenwoordigt een Engelstalige groep. En we zijn vertrokken: "Hebt u interesse?" - "Niet echt." -"Maar u denkt eventueel aan een overname?" - "Alles is te koop, maar het is geen zaak van moeten." - "Kunnen we binnenkort nog eens praten?".

Dat deden we. Een keer. Twee. Drie. Tot er uiteindelijk een bedrag werd genoemd. Een mooi bedrag. Een bedrag waarover niet gediscussieerd hoefde te worden maar dat wel realistisch was.

Hoewel de uitwisselingen en besprekingen vlotten, hield ik, zonder dat echter bekend te maken, de keuze in mijn achterhoofd die mijn vrouw en ik hadden gemaakt: ingeval onze kinderen geen belangstelling hadden, zou het personeel voorrang krijgen. En toen bleek plots dat een van de kinderen, D., toch interesse had voor datgene wat hem voordien volledig koud had gelaten. En dus moest hij zijn kans krijgen. Natuurlijk was de situatie intussen heel anders dan toen ik zelf in de zaak stapte. En hoewel de andere kinderen nog steeds weinig belangstelling hadden voor de zaak, hadden zij ook recht op hun deel.

Opvolger D., die een zeer degelijke technische opleiding heeft genoten, moet dus rekening houden met zijn broer en zussen. Daarom beginnen we samen aan een lange reeks gesprekken en bedenkingen bij het onderwerp "verdeling en opvolging". Een onderwerp dat even delicaat als complex blijkt trouwens. Mijn vrouw en ik hadden er altijd van gedroomd dat we onze bezittingen vrij vroeg zouden kunnen verdelen en er toch voor zorgen dat we zelf nog een comfortabele toekomst in het vooruitzicht hadden. Met de opvolging van mijn zoon werd die betrachting een feit. Iedereen is het erover eens: we willen alles eerlijk verdelen, zodat iedereen een gelijkwaardig deel krijgt.
Ja, maar ...

Na hier en daar eens te hebben gepolst naar wat de onderneming waard zou kunnen zijn en rekening houdend met het bod van die buitenlanders, varieert de waarde tussen één bepaald bedrag en het drievoudige daarvan. Hoe moesten we dan eerlijk verdelen? En wie zal zorgen voor een behoorlijk inkomen voor ons? En hoe?

D. vindt dat hij niet gelijkgesteld kan worden met een buitenlandse overnemer. Heeft hij gelijk? En heb ik het recht - en op welke grond? - om de andere kinderen met een minderwaarde op te zadelen?

Voor D. is er ook nog een andere vraag: hij wilde de zaak alleen in handen nemen. Hij moest dus zijn broer en zussen uitkopen en daarvoor een lening aangaan. Zou de terugbetaling aanvaardbaar en haalbaar zijn?

Na nog tal van vergaderingen, besprekingen en geaarzel, die gelukkig altijd ongedwongen en correct zijn verlopen, bereiken we samen een akkoord over de waarde van de onderneming. Pfff! We zijn oneindig dankbaar en opgelucht dat we die lastige kwestie zonder enige strubbeling onder elkaar hebben kunnen afhandelen en dat we in alle rust tot die veelbesproken verdeling zijn kunnen komen. Het had me allemaal toch wat vrees ingeboezemd ... D. moet nu alleen nog de gepaste modaliteiten uitzoeken ... en aan geld zien te geraken. We beginnen met onze hoofdbankier. Daarna een andere. We vragen advies aan ons boekhoudkantoor, aan de bedrijfsrevisor, aan een fiscalistenbureau, aan een trustmaatschappij.
Uiteraard houden sommigen van hen vooral hun eigen belangen in de gaten, zodanig zelfs dat ze soms de onze uit het oog verliezen.

Naargelang de optie die gekozen wordt, blijken de fiscale voordelen vrij ver uit elkaar te liggen en zitten er blijkbaar ook wel een aantal addertjes onder het gras.

Alle aandelen in de vennootschap die ik bezat, heb ik in vieren verdeeld, een kwart van het geheel voor elk kind. Daarna heeft D. de aandelen van zijn broer en zussen gekocht. Een oplossing waarbij niemand achteraf kan komen zeuren.

Omdat ik zelf het gebouw bezit waarin de onderneming gevestigd is, besluit ik dat aan de vennootschap over te dragen. In ruil krijg ik daarvoor een lijfrente.

Tot nu toe verloopt alles uitstekend. D. heeft me gevraagd "actief" te blijven, wat ik met veel plezier drie ochtenden per week doe. Ook dat loopt op rolletjes en ik ben er zelf heel blij mee.

Hebben we voor de beste methode gekozen?
Ik zou het echt niet kunnen zeggen.
Maar aangezien we allemaal aan onze trekken komen, geloof ik inderdaad dat deze methode voor ons de beste was.

 
< Vorige   Volgende >
© 2012 BruTrade