|
Familiale ondernemers kunnen sinds 2002 gebruikmaken van de Belgische private stichting om het behoud van het familiaal karakter van het familiebedrijf juridisch te organiseren. Bijna vijf jaar later blijkt dat er erg weinig Belgische private stichtingen met dit doel werden opgericht.
Controlevehikels kunnen diverse rollen spelen bij de opvolging in familiebedrijven. Soms willen stamvaders reeds de eigendom van het familiebedrijf schenken aan hun kinderen, terwijl ze zelf nog de leiding behouden. Dit kan door tussen het familiebedrijf en de kinderen een controlevehikel te plaatsen, waarvan de stamvader het bestuur waarneemt. Indien hij de touwtjes in handen wil blijven houden zal de stamvader een vehikel moeten kiezen, waarin hij als bestuurder niet kan worden afgezet. Deze toepassing heeft wat aan belang ingeboet sedert de successierechten door het Vlaamse Successiedecreet in een groot aantal gevallen tot nul zijn herleid. In het licht hiervan is er minder behoefte om de eigendom van het familiebedrijf vóór het overlijden aan de kinderen te schenken.
De tweede toepassing van controlevehikels blijft echter onverminderd actueel. In deze hypothese wordt de eigendom van het familiebedrijf aan de diverse familieleden toebedeeld, maar komt de leiding over het familiebedrijf in handen van een of meerdere opvolgers. Ook in deze hypothese wordt er een controlevehikel opgericht, waarvan de opvolger als bestuurder wordt aangesteld. Omdat hij de leiding krijgt over het controlevehikel en in die hoedanigheid niet kan verwijderd worden, zal hij ook de leiding over het familiebedrijf uitoefenen. Hij is het immers, die op de algemene vergadering van het familiebedrijf komt stemmen namens het controlevehikel. Op die manier bepaalt de opvolger wie de raad van bestuur van het familiebedrijf uitmaakt.
Uit wat hierboven is uiteengezet, lijkt dat het in de twee hypotheses van belang is dat het controlevehikel als kenmerk heeft dat de leiding ervan niet kan worden afgezet. Slechts een beperkt aantal rechtspersonen voldoet aan deze voorwaarde. In België zijn dat de commanditaire vennootschap op aandelen en de maatschap. De grote voorkeur van de meeste Belgische families ging in de afgelopen jaren echter naar de Nederlandse stichting (ook wel stichting administratiekantoor genoemd).
Om te vermijden dat de Belgen over de grens moesten trekken om een controlevehikel in leven te roepen, creëerde de wetgever met de Wet van 2 mei 2002 de Belgische private stichting. Nu deze nieuwe rechtsfiguur bijna 5 jaar bestaat, lijkt het aangewezen om een balans op te maken. Medio september 2006 waren er in België 165 private stichtingen opgericht. De meeste private stichtingen werden in leven geroepen om één of ander goed doel te realiseren, zoals de steun aan een gehandicapt familielid of aan minder kansrijke groepen uit de samenleving.
Slechts 19 private stichtingen of 11 % werden gecreëerd om de continuïteit van het familiebedrijf te organiseren. Met net geen 5 stichtingen per jaar ligt dit aantal duidelijk aan de lage kant. Blijkbaar zijn de Belgen niet nog voor de private stichting gewonnen. Wat kunnen hiervoor de redenen zijn?
Net als in Nederland kan in de Belgische stichting de onafzetbaarheid van het bestuur geregeld worden. Er moeten dus andere oorzaken zijn voor het geringe succes van de Belgische stichting.
Het zou kunnen dat onze landgenoten weinig vertrouwen hebben in de Belgische fiscale wetgever. Op het vermogen van een private stichting moet jaarlijks een taks van 0,17 % betaald worden tot vergoeding van de successierechten. Op vandaag worden de gecertificeerde effecten in een nv of een bvba niet meegerekend om deze belasting vast te stellen, tenzij de stichting naast de voornoemde effecten eren vermogen heeft dat meer waard is dan 25 000 EUR. Mogelijks hebben de Belgische familiebedrijven weinig vertrouwen dat dit zo zal blijven en vermijden zij om die reden de private stichting. Blijkbaar gaat de voorkeur van de meeste Belgische families nog steeds uit naar de Nederlandse stichting die niet aan een dergelijke belasting is onderworpen.
Een tweede euvel van de Belgische private stichting is wellicht de regel dat er minimum drie bestuurders moeten benoemd worden, die op collegiale wijze het bestuur moeten waarnemen. In de praktijk proberen creatieve oprichters deze regel te verzachten door naast zichzelf ook hun managementvennootschap als bestuurder te benoemen. Toch contrasteert de Belgisch regeling schril met de grote soepelheid in Nederland, waar één bestuurder volstaat.
Een derde nadeel van de Belgische stichting schuilt wellicht in het feit dat de ontbinding ervan slechts door de rechter kan worden uitgesproken, hetgeen een overbodige formaliteit met zich meebrengt.
Uit dit alles moge blijken dat goede bedoelingen van de wetgever niet volstaan om legislatieve innovaties succesvol te maken. Indien er fiscaal wantrouwen heerst en er te weinig soepelheid aan de dag gelegd wordt, haakt de Belgische familiale ondernemer af.
Jozef LIEVENS
Eubelius Advocaten
Instituut voor het Familiebedrijf
www.familiebedrijf.be
|